mini blog

Armoede in Feijenoord schokkend

Een goed en hoogst noodzakelijk initiatief van de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb om zo snel mogelijk te beginnen om woongebied Rotterdam-Zuid weer 'beter te maken' op de terreinen onderwijs, werkgelegenheid en wonen.

Dat ingrijpen nodig is blijkt wel uit de harde cijfers; 14,9 procent van de Rotterdamse bevolking is arm, daarbij heeft Rotterdam ook nog de meeste arme wijken van Nederland.

In de Rotterdamse deelgemeente Feijenoord leeft ongeveer 35% van de 70.000 inwoners onder de armoedegrens. Onder deze groep ruim 6.300 kinderen, voor hen geen geld voor sportclub of bioscoop. Kinderen worden op hun verjaardag ziek gemeld, omdat er geen geld is om te trakteren.

De cijfers zijn het resultaat van twee onafhankelijke onderzoeken die het bestuur van de deelgemeente liet uitvoeren. Hoewel armoede een onderkend probleem is, was de uitkomst van het onderzoek schokkend; niemand had verwacht dat het deze omvang kende.

Een van de oorzaken van armoede is de grote werkeloosheid in Feijenoord. In sommige delen zit meer dan 40%, waarvan veel eenouder gezinnen, zonder werk. Landelijk gezien groeit 6,5% van alle kinderen op in een bijstandsgezin.

Toch is werkgelegenheid alleen niet de oplossing; er is een groeiende groep ‘werkende armen’. Mensen die tegen een laag loon te weinig uren kunnen maken waardoor hun besteedbaar inkomen ver onder de armoedegrens ligt. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau groeit deze groep de laatste tijd gestaag.

Daarbij moet een kostwinnaar met een minimumloon en twee kinderen in Nederland zestig uur per week werken om boven de OESO armoedegrens te komen.

Inmiddels hebben vier op de tien werkenden in Nederland hebben geen vast contract, de nadelen die aan flexibele arbeidsrelaties zijn verbonden (zoals stress en onzekerheid) komen echter voor een groot deel voor rekening van zwakkere groepen op de arbeidsmarkt. (Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid)

Gebrek aan opleiding speelt een sleutelrol bij armoede en sociale uitsluiting. Arme kinderen komen gemiddeld op een lager opleidingsniveau uit dan niet-arme kinderen. Zij hebben daardoor minder vaak een vaste baan en een grotere kans om op volwassen leeftijd afhankelijk te zijn van een uitkering.

Van de factoren die het lagere opleidingspeil van arme kinderen verklaren, heeft de opleiding van de vader de grootste invloed. (intellectuele stimulans en emotionele ondersteuning)

Onderzoek naar de intellectuele stimulatie van jonge kinderen toont aan dat kinderen van hoger opgeleide ouders gemiddeld bijna vier maal zoveel woorden per uur horen dan kinderen van ouders in de bijstand. (Hart & Risley)

Tegen de tijd dat een kind van hoger opgeleiden de driejarige leeftijd heeft bereikt heeft deze 30 miljoen meer woorden gehoord dan een kind wat is opgegroeid in een bijstandsgezin. Er is een rechtstreeks verband tussen stimulatie en de ontwikkeling van jonge kinderen wat zich uit in de hoogte van het IQ. (Barber)

Eerder onderzoek (Murray) toonde al aan dat er een verband is tussen de hersenontwikkeling van kinderen van vermogende ouders in relatie tot IQ, het onderzoek van Gabrieli toont de link aan tussen financiële achtergrond, betere studieresultaten en hersenontwikkeling.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelt duidelijk dat er een hardnekkige scheiding aan het ontstaan is tussen een kansarme onderlaag en een bovenlaag met alle mogelijkheden. De urgentie is dus hoog om het verschil in maatschappelijke waardering zo snel mogelijk te doorbreken.

De kloof groeit in de breedte en de diepte en dreigt een erfelijk karakter te krijgen. (Diederik Samson)

De eerste stappen zouden moeten zijn om zo snel mogelijk te beginnen structuur aan te brengen binnen de voorschoolse voorzieningen en deze verplicht te stellen. Zet in op het tegen gaan van schooluitval en leg meer nadruk op preventieve maatregelen zoals budgetcursussen (het aantal huishoudens met problematische schulden is verdubbeld sinds 2008).

Richt je vanuit handhaving meer op jeugdcriminaliteit, zet breder in op kinderen met gedragsproblemen en houd meer zicht op gebroken gezinnen. (bij eenouder gezinnen heeft slechts 9% een hogere opleiding tegen 61% met een lage opleiding)

Gevolg is anders dat de trend, indien men wil werken en een baan heeft gevonden, Feijenoord zo snel mogelijk zal verlaten naar een betere toekomst elders in de stad met alle gevolgen van dien. Het zijn maar een paar haltes van Feijenoord naar Kralingen maar de afstand voelt onoverbrugbaar.

Even geen revoluties meer a.u.b.

Revoluties zijn complexe verschijnselen. De ontbinding van macht zet processen in werking die moeilijk zijn te beheersen en die in tijd maar langzaam naar een nieuw evenwicht bewegen.

Binnen de meeste landen van Noord Afrika bestaat er een maatschappelijke verdeling naar etnische groepen, stammen en religies. Het verleden laat zien dat elke groep een eigen politieke partij zal oprichten indien de mogelijkheid daartoe zal worden geboden.

In bijvoorbeeld Tunesië doen ruim 110 politieke partijen mee aan de verkiezingen. Hoe kun je in een land met tientallen politieke fracties, die daaruit voort (kunnen gaan) komen in het parlement, binnen een redelijk tijdsbestek een sterke democratie vormen? Neem daarbij fanatieke onverzoenlijkheid, en je hebt een dodelijk virus voor nieuwe democratieën.

Ook al eiste men meer democratie, vrijheid en economische rechten de situatie in Noord Afrika is zeer complex. Zoals in Libië, waar het ‘groene boekje’ in combinatie met de export van olie en gas ervoor gezorgd heeft dat er klimaat werd geschapen waarin eigen initiatief en ondernemerschap niet kon gedijen. Gevolg was lusteloosheid.

Nieuwe democratieën brengen opzich geen algemene overeenstemming voort, maar overeenstemming kan leiden naar democratie. De historicus Eric Hobsbawm geeft vijf voorwaarden voor het slagen van een democratie:

1) Is er een basisovereenstemming onder het merendeel van de burgers over de aanvaardbaarheid van hun staat, sociale stelsels, en de bereidheid te onderhandelen over compromissen?

2) Is er een zekere mate van verenigbaarheid tussen de verschillende klassen van het volk waarbij de gemeenschappelijke regering de verschillen tussen de klassen kan overschrijden?

3) Heeft het parlement de middelen en mogelijkheden om haar controlerende taak uit te voeren en, zo nodig, op de rem te trappen?

4) Zijn spanningen van revoluties of interne conflicten afwezig?

5) Is er welvaart en voorspoed?

Hoe moeizaam ging het niet in Tsjechië tijdens het interbellum. In een land met een veelheid aan etnische groepen (Tsjechen, Slowaken, Roethenen, Duitsers, Hongaren, Serven, Oekraïners, Joden en Roma) leverde dat een enorme verscheidenheid op aan politieke en maatschappelijke organisaties. Ondanks het aanvankelijke succes van het Tsjechische politieke systeem was deze niet meer bij machte om nog besluiten te kunnen nemen onder druk van de depressie.

Is er een land waar de overgang van een strak geleidde totalitaire staat naar een goed werkende democratie in beperkte tijd goed is gegaan? Ja, dat land is Polen.

De ommekeer van 1989-1990 in Oost Europa was voor de meerderheid van de staten revolutionair, (ook de ‘onderbouw’ werd aangetast) met het meest dramatische verloop in Roemenie en (op de langere termijn) Joegoslavië.

Behalve voor Polen, en in mindere mate Hongarije en Tsjecho-Slowakije, zijn daar de regimes niet omvergeworpen maar waren er maatschappelijke krachten georganiseerd die een serieuze bedreiging voor het toenmalige communistische regime vormden. Er was een krachtige politieke oppositie (Solidariteit) die er voor zorgde dat het systeem niet van de ene op de dag opgeblazen werd maar via een proces van onderhandelingen, compromissen en hervormingen vervangen werd.

Daarbij speelt er ook een belangrijke culturele en geografische component. Hongarije, het westen van Tsjechië en natuurlijk Polen maakten onderdeel uit van het voormalige, en vooruitstrevende, Habsburgse rijk. Het zijn allen protestant-katholieken landen die een bloeiende middenklasse bezaten. De economische ontwikkeling van landen in Oost-Europa laat grofweg het zelfde beeld zien als voor de Tweede Wereldoorlog; het noordelijke deel als het meest welvarende gebied. (Robert Kaplan)

Zou het daarom geen toeval zijn dat juist Polen met haar parlementaire republiek de hardst groeiende economie van Oost Europa is, met over de laatste vijftien jaar een gemiddelde groei van 4,5 procent?

Jan Terlouw over Thomas Paine

Niet zo heel lang geleden was helder welke politiek-maatschappelijke stroming een partij vertegenwoordigde. Er werd verwezen naar grondleggers zoals Montesquieu, Smith of Aquino als basis voor de inrichting van de maatschappij.

Tegenwoordig lijkt het primair te gaan om tactisch maatschappelijke strijdpunten; ideologie is niet langer leidend, visies en onderliggende beginselen zijn uit het zicht verdwenen.

In opmaak tot de verkiezingen was er gelukkig een positieve uitzondering; tijdens het verkiezingscongres van D66 sprak Jan Terlouw vol lof over Thomas Paine als politieke inspiratiebron. En dat was volledig terecht.

Thomas Paine (1737-1809) heeft zowel de hand gehad in de Amerikaanse als de Franse revolutie. Als ‘founding father’ van de Verenigde Staten was hij een van de grondleggers van de eerste democratische republiek ter wereld.

Hij hoopte dat de Verenigde Staten een supermacht zou worden, waarbij de kleine vonk van vrijheid en democratie zal opvlammen tot een wereldwijd vuur dat niet meer te doven is.

Thomas Paine park

De faam van Thomas Paine berust op twee werken; ‘Common sense’ is het belangrijkste pamflet van de Amerikaanse revolutie welke opriep om zich van de Britse heerschappij los te maken en te kiezen voor onafhankelijkheid. ‘Rights of men’ gaat over de vorming van een rechtvaardige en geordende samenleving waarvan de belangrijkste elementen mensenrechten, representatieve democratie en inperking macht van de regering zijn.

Hij was voorstander van universele mensenrechten die ieder mens bij zijn geboorte meegegeven zijn; zij dienen de basis van elke morele politieke orde te vormen.

De samenleving beziet Paine als een verband van gelijken, ieder beschikt over gelijke rechten. Deze rechten (zoals vrijheid, eigendom, veiligheid en verzet tegen onderdrukking) zijn onvervreemdbaar.

Hoe idealer een samenleving is, des te minder laat ze aan het staatsbestuur over, des te meer regelt zij haar eigen zaken en des te beter regeert zij zichzelf.

Tevens pleitte hij voor een neutraal godsdienstige staat om juist religieuze vrijheid te waarborgen. De staat heeft slechts ten doel verscheidenheid te garanderen en er voor te zorgen dat de ene gezindte niet boven de andere zal worden gesteld.

Daarnaast schetste Paine de contouren van wat wij nu de verzorgingsstaat noemen; minimum loon, gratis onderwijs voor iedereen, kinderbijslag, oudedagsvoorziening en sociaaleconomische wetgeving om de positie van zwakkeren in de samenleving te verbeteren.

Ook pleitte hij vurig voor uitbreiding van de internationale handel wat volgens hem de tendens zou bevorderen dat naties vredelievender zouden worden.

Maar het meest visionaire was wel zijn idee voor een Associatie van Naties, 130 jaar voor de oprichting van de Volkerenbond, de latere Verenigde Naties.

Paine hoopte dat door internationale arbitrage verdragen het tijdperk van de rede zou beginnen.

Londen, de redeloze heerschappij van de horden

Op 7 augustus 2011 en de volgende dagen woedden in de Londense wijk Tottenham de grootste rellen in Engeland in 25 jaar. Volgens de eerste berichten in de media (oa Volkskrant, Trouw en NOS journaal) waren het vooral de ‘have nots’; de relschoppers waren de slachtoffers van het economisch maatschappelijke systeem.

De waarheid bleek anders te zijn, ruim 80% van degenen die gearresteerd werden bleek al een strafblad te hebben, velen uitzonderlijk lang.

De daders kunnen daarmee doorgaan op grond van de politieke opvatting dat zij de werkelijke slachtoffers van de omstandigheden zijn. Helaas wordt deze politieke opvatting regelmatig bevestigd door het rechtssysteem. Hebben daders nog meer redenen nodig om zichzelf carte blanche te geven?

Theodore Dalrymple

Volgens Theodore Dalrymple (zie foto) is de oorzaak terug te voeren naar veertig jaar moreel en cultureel relativisme veroorzaakt door falend politiek leiderschap. Tijdens de jaren zestig en zeventig joeg ‘de grote ontwrichting’ (Francis Fukuyama) door de westerse wereld. Protestbewegingen wensten alle victoriaanse waarden af te schaffen; bereidheid te werken, respect voor de wet, zorg voor gezin en gemeenschap en geloof in vooruitgang. Juist deze grondslagen hebben gezorgd voor het succes van onze cultuur. (Max Weber)

Met meer dan 20 jaar ervaring als jeugdwerker in West-Londen stelt Shaun dat de rellen slechts een afleiding waren voor niets ontziend materialisme; het doel was het plunderen van winkels. Daarnaast plaatst Shaun kanttekeningen bij het politieoptreden. De cultuur van de Londense politie is in de afgelopen jaren verschoven van handhaving naar een service organisatie, door terughoudendheid van de politie waanden de relschoppers zich veilig.

Pragmatische filosofen als William James en John Dewey hadden het decennia geleden al goed voorzien; een gedesoriënteerde samenleving van verbroken relaties en valse menselijke verhoudingen, een maatschappij van snel geld in plaats van sociale verantwoordelijkheid.

Alleen zij die nooit de moeite hebben genomen om uit eigen kring te stappen zagen het niet aankomen. Een wereld waarin sommige individuen veel te vrij zijn om het eigen morele lot te bepalen met als gevolg geweld, egoïsme, materialisme en het ontbreken van sociale banden.

De oorzaak van de rellen in Londen was dus niet van economische, maar van culturele en morele aard. Alleen de tucht van verantwoordelijkheid kan ons voor verslapping behoeden. (Jose Ortega Gasset)

Is het weer 1940?

Onthutsend relaas van de 85 jarige Delftenaar Robert Cohen, overleefde twee jaar vernietigingskamp Auschwitz, en komt nu op het einde van zijn leven tot de conclusie dat het antisemitisme in Nederland van 2011 een getrouwe kopie is uit 1940.

Volgens Cohen zijn de voortekenen van de gevaren die de westerse wereld nu bedreigen in volle omvang zichtbaar (oa Joodse Nederlanders met keppel worden gemolesteerd, Synagogen en Joodse scholen zijn het doelwit van vernielingen, begraafplaatsen worden beklad etc) en verdienen die beduidend meer aandacht dan nu het geval is. Helaas is in Nederland geen eenduidig onderzoek gedaan naar antisemitisme maar zeer recent wel bij onze zuiderburen; Jessy Siongers (Vakgroep Sociologie van de Vrije Universiteit Brussel) ontdekte in haar onderzoek voor 'Jong in Brussel’ dat bij autochtone leerlingen ongeveer 10 procent in blijkt te stemmen met de antisemitische stellingen die hen voorgelegd werden.

Echt verontrustend is wel dat Jessy Siongers de helft van de moslimleerlingen in Brussel omschrijft als antisemitisch. Erger is dat die anti-joodse gevoelens niets te maken hebben met een laag opleidingsniveau of sociale achterstelling, wat wel het geval is bij racistische autochtonen. Het antisemitische is bij hen theologisch geïnspireerd, er is een rechtstreeks verband tussen radicaal-moslim-zijn en antisemitische gevoelens koesteren. In diverse Elsevier columns onderbouwd Afshin Ellian helaas de strekking van het onderzoek van Jessy Siongers.

In 2003 werd bekend dat een studie van het toenmalige Europese Waarnemingscentrum voor racisme en xenofobie (tegenwoordig het EU-agentschap voor fundamentele rechten) over antisemitisme geheim was gehouden omdat de auteurs hadden geconcludeerd dat het antisemitisme in Europa vooral werd gevoed door radicale moslims en pro-Palestijnse groeperingen. Het Nederlandse bestuurslid van deze intergouvernementele organisatie in Wenen, Ed van Thijn, verklaarde ‘bedroefd’ te zijn vanwege deze censuur. Frits Bolkestein betoogd dat er inmiddels een sfeer is ontstaan waarop Westerse overheden zich in tal van bochten wringen om gevoeligheden met geradicaliseerde moslims te ontzien.

Volgens Alain Winants, het hoofd van de Belgische Staatsveiligheid, wordt tegen bepaalde gedragingen van geradicaliseerde moslims niet of niet meteen opgetreden, uit angst om racist te worden genoemd. Deze trend kan volgens Winants op den duur tot grote maatschappelijke ontwrichting leiden en een gevaar vormen voor de Belgische democratie.

De uitspraken van Alain Winants worden bevestigd door vele joodse inwoners van Brussel, zij vinden dat de Belgische overheid te weinig doet om moslimextremisme tegen te gaan. Het schrijnende gevolg is dat steeds meer Joden Brussel verlaten voor Tel Aviv uit angst voor het toenemende antisemitisme in de stad.

De gevoelens van onveiligheid worden gestaafd door onderzoek van de Fundamental Rights Agency (FRA) van de EU; in acht Europese landen blijkt dat gemiddeld 32 procent van de joden overweegt te emigreren vanwege antisemitisme. In België is dit percentage zelfs 40 procent.

Ook de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt in haar jaarverslag voor niet-onmiddellijk gewelddadige vormen van radicalisering welke uiterst schadelijk kunnen zijn voor de democratische rechtsorde zoals antisemitisme als gevolg van het demoniseren en het doelgericht zaaien van haat.

De schade die geradicaliseerde moslims aanrichten is voor de moslimgemeenschap groot. Hun provocaties zorgen ervoor dat de islam in toenemende mate als een gevaar voor de samenleving wordt beschouwd.

Daarbij proberen salafisten in steeds meer moskeeën en moskeebesturen een voet aan de grond te krijgen. Ze gebruiken in sommige gevallen geweld waardoor gematigde moslims verder onder druk komen te staan.

Ondanks voorstellen van het Kamerlid Ahmed Marcouch en inspanningen van het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) maakt de meerderheid van de moslims weinig haast om haar zwijgzame houding te veranderen. Vanuit de overheid wordt deze zwijgzaamheid niet als probleem gezien, en daarmee laat zij (on)bewust de meerderheid van moslims in de steek. Een meerderheid welke niets op heeft met de radicale islam en geen anti-joodse gevoelens koestert.

Lody van de Kamp vat het goed samen; rotte appels houd je altijd maar er valt veel te winnen als wij elkaar leren kennen; bruggen, banden en uiteindelijk verbondenheid.

Hoog tijd om in Nederland op de meest korte termijn een dergelijk onderzoek te doen en door te pakken in een breed maatschappelijk debat voordat verdere polarisatie zal optreden.

Waarom geven we acht keer zoveel geld uit aan hulp voor daders dan voor slachtoffers?

Kenmerkend voor ons 19e eeuwse strafrecht is dat een strafzaak draait om verdachte (advocatuur) en samenleving (OM). Het slachtoffer heeft geen formele positie. In een strafproces staat daardoor niet het slachtoffer centraal, maar de verdachte. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de rechten en vrijheden van slachtoffers.

De overheid geeft jaarlijks aan slachtofferzorg 40 miljoen uit via onder meer Slachtofferhulp en betaling van schadevergoedingen vanuit het Schadefonds. Dit bedrag staat in schril contrast met de 330 miljoen aan de ondersteuning van verdachten via reclassering, rechtsbijstand, jeugdinrichtingen, enzovoorts. De financiële verhouding slachtoffers versus verdachten in Nederland is dus 1 staat tot 8.

De politiek moet veel meer doen; het wetsvoorstel voor affectieschadevergoeding werd al ingediend op 6 februari 2003 en twee jaar later met algemene stemmen aangenomen. Helaas blijkt de de plenaire behandeling in de Eerste Kamer al enkele jaren geschorst te zijn.

Het parlement solt met de positie van slachtoffers en nabestaanden; om de verschillende krachten te bundelen en de positie van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces aanzienlijk te verbeteren is oa door Joost Eerdmans op 31 augustus 2009 het Burgercomité tegen Onrecht opgericht, een zeer goed initiatief wat alle steun verdient!

De 10 grootste problemen van Nederland

Wat zijn de grootste problemen van onze tijd? De Groene Amsterdammer vroeg 75 sociale wetenschappers op papier te zetten wat zij de grootste problemen vinden. Omdat U ook niet alles kunt lezen hier een opsomming van de 10 grootste problemen, op de website van het weekblad zijn de volledige bijdragen van de wetenschappers beschikbaar.

1 Het gemis aan richting en houvast (behoefte aan gezag en richting)
2 Minachting voor feiten (werkelijkheid is in de politiek steeds verder uit beeld geraakt)
3 De opkomst van Azie (Gaan we mee en hoe kunnen we mee?)
4 De overheid als probleem (er zijn nog maar weinig instanties die op gezaghebbende wijze onze dilemma’s kunnen beslechten)
5 Uitputting van de aarde
6 Het gebrek aan algemene mentale veerkracht
7 De kloof tussen de elite en het volk
8 De gevolgen van een wereld zonder grenzen
9 De afstand tussen jong en oud
10 Doorgeschoten marktdenken